Roofing Holland 1997-10-16 Meer loon en betere arbeidsomstandigheden als inzet voor behoud personeel

In opdracht van VEBIDAK en met medewerking van de Vereniging Het Hellende Dak, de Stichting Beroepsopleidingen Dakbedekkingsbranche en het Hoofdbedrijfschap Ambachten heeft het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) onderzoek verricht naar de structuur van de arbeidsmarkt op de korte en middellange termijn van de bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbranche. Betere beloning, scholing en arbeidsomstandigheden kunnen onder andere de personeelsvoorziening in de branche veilig stellen denkt het EIB.

Het onderzoek is een vervolg op een in 1993 uitgevoerd onderzoek. Doel van het onderzoek is een beeld te geven van de huidige en toekomstige arbeidsmarktsituatie in de branche, resulterend in een korte en middellange visie op de behoefte aan instroom van vaklieden in de branche. De volgende onderwerpen zijn in het onderzoek aan de orde gekomen:

  • de huidige bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbranche;
  • het te verwachten productievolume;
  • het huidige dakdekkersbestand;
  • de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit;
  • de behoefte aan dakdekkers in de toekomst;
  • het verloop binnen het bestand aan vaklieden;
  • de benodigde instroom van dakdekkers in de toekomst.

Uit het onderzoek blijkt een productie van 21 miljoen m2 voor 1995 (raming was 20 miljoen m2). Deze productie wordt grotendeels uitgevoerd door 350 bedrijven, gespecialiseerd in bitumineus en kunststof dakwerk. Daarnaast wordt een deel verzorgd door loodgieters-, installatie-, isolatie-, bouwbedrijven en op dakdekkersbedrijven die zich grotendeels toeleggen op harde dakbedekkingsmaterialen.
Zeventig procent van de dakbedekkingsbedrijven zegt concurrentie te ondervinden van loodgietersbedrijven. Met een marktaandeel van ongeveer 10 procent komt de verwerking van kunststof nog in verhouding weinig voor, maar beweegt zich wel in stijgende lijn. De helft van de productie in vierkante meters wordt gerealiseerd in onderhoud en renovatie en de andere helft in de nieuwbouw. Naar omzet en werkgelegenheid gemeten is het aandeel van onderhoud en renovatie door het meer arbeidsintensieve karakter van de werkzaamheden hoger dan in de nieuwbouw.

Aanzienlijke stijging

Ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van de productie op de binnenlandse markt, verwachten de bedrijven in overgrote meerderheid een niet onaanzienlijke stijging. Op de middellange termijn verwachten de meeste bedrijven eveneens een stijging, maar op een meer gematigd niveau. Verder verwachten de bedrijven een voortgaande verschuiving van bitumineuze materialen naar de toepassing van kunststoffolies. De verwachtingen van de bedrijven voor de onderhouds- en renovatiemarkt zijn iets minder positief dan voor de nieuwbouwmarkt.
Op korte termijn (1997) wordt een stijging van de productie in de branche verwacht van 3,4 procent. Voor de middellange termijn (1998-2001) wordt een jaarlijkse groei van de productie verwacht van 2 procent (prognoses van het EIB).
In de gespecialiseerde bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijven blijken de dakdekkers (inclusief voorlieden en aankomend dakdekkers) bijna driekwart van het totale personeelsbestand te vertegenwoordigen.
De totale populatie van bitumineuze en kunststof dakdekkers kan worden geschat op ruim 3900. Voor de bedrijven zijn de problemen om aan dakdekkers te komen minder groot dan enkele jaren geleden. Toch zegt nog de helft van de bedrijven dat voor het aantrekken van ervaren dakdekkers een intensieve wervingscampagne nodig is. Op het moment van enquêteren (september 1996) had een derde van de bedrijven een of meer vacatures voor de functie van dakdekker.
Het aantal vacatures bedroeg bijna 10 procent van het dakdekkersbestand. Voor een deel wordt dit tekort opgevangen door inlening bij collega-bedrijven (ongeveer 3 procent van het dakdekkersbestand), voor een deel door het aantrekken van zelfstandigen zonder personeel of gebruik van uitzendkrachten (eveneens 3 procent van het dakdekkersbestand).
De beroepsgroep dakdekkers is relatief jong, bijna 45 procent is ouder dan 30 jaar. Bij de samenstelling van de bitumineuze dakdekkers naar functie is een op de tien dakdekkers voorman.

Vanwege het grote aantal jongeren in het bestand is sprake van een redelijk opleidingsniveau (75 procent heeft minimaal VBO-niveau). Een opvallend hoog percentage heeft een niet bouwgerichte opleiding. Het aandeel dat een vakopleiding in het kader van het leerlingenwezen heeft gevolgd is 30 procent. Ruim 20 procent heeft een opleiding tot dakdekker gevolgd. Bijna 60 procent van de dakdekkers heeft een beroepsgerichte cursus gevolgd.
Van ongeveer de helft van de bitumineuze dakdekkers is het scholingsniveau als goed te kwalificeren, bij ruim 40 procent als matig en 10 procent als slecht. Met name bij de oudste en de aankomend dakdekkers is het opleidingsniveau minder. De werkgevers beoordelen de uitvoeringstecnische vaardigheden voor bijna 70 procent als goed en voor de rest als voldoende. Er bestaat behoefte aan opleidingen of cursussen op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieubewust werken, kennis van theoretische achtergronden en werkplanning.

Bedrijven hebben behoefte aan cursussen op het gebied van technische vaardigheden. Deze worden binnen het bedrijf als minimaal ervaren.
Meer dan driekwart van de bedrijven heeft een voorkeur voor korte praktijkcursussen. Bijna 85 procent vindt dat de huidige opleidingsstructuren in de behoefte voorzien.

Arbeidsverleden

Van de dakdekkers is bijna 10 procent rechtstreeks vanaf school in de branche gekomen, ruim een kwart was eerst werkzaam bij een ander bitumineus dakdekkersbedrijf en 60 procent was werkzaam in een andere branche. Van de werknemers met een arbeidsverleden was 30 procent voorheen werkzaam bij andere bitumineuze dakbedekkingsbedrijven, een kwart bij andere bouwbedrijven nog eens 10 procent in de metaal en de overige 35 procent werkte voorheen bij zeer uiteenlopende bedrijven en instellingen. Bijna twee derde van de bitumineuze dakdekkers werkt al vijf of meer jaar bij hetzelfde bedrijf. De binding is de laatste jaren fors toegenomen. Dat heeft ook te maken met de mate van tevredenheid over de werkzaamheden. Ruim 90 procent is daar tevreden of zeer tevreden over, terwijl dat in 1993 maar 63 procent was. Minder tevreden zijn de bitumineuze en kunststof dakdekkers met hun beloning, de werkdruk en de promotie- en scholingsmogelijkheden.
Jaarlijks verlaat ongeveer 20 procent van de dakdekkers de branche. Dit komt neer op een aantal van ongeveer 800. Op basis van deze uitstroom zal ook de omvang van de instroom fors moeten zijn. De vervangings- en uitbreidingsbehoefte voor de periode 1996-2001 is volgens de raming 860 bitumineuze dakdekkers.
Teneinde het gewenste bestand te kunnen realiseren, zullen extra inspanningen moeten worden gedaan om de instroom van jongeren te vergroten. In de tweede plaats zullen de inspanningen om de uitstroom te beperken moeten worden geïntensiveerd. Er zijn drie belangrijke redenen te noemen voor het vertrek uit de branche: Bedrijfssluiting of inkrimping, de mogelijkheid op een andere, betere baan elders en als derde reden de gezondheid en de arbeidsomstandigheden.
Maatregelen waardoor de binding aan de branche wordt verstrekt zijn sinds 1993 genomen en worden thans geïntensiveerd. Een teruggang van de uitstroom kan wellicht ook bereikt worden door een verbetering van de relatieve concurrentiepositie van de branche ten opzichte van andere concurrerende branches. Andere branches oefenen sterke aantrekkingskracht uit op de dakdekkers. Velen vertrekken omdat ze elders een betere baan kunnen krijgen. In dit kader is door de werkgevers een aantal aspecten naar voren gebracht die verbetering behoeven. Het betreft de promotiemogelijkheden, de beloning, de scholingsmogelijkheden en de arbeidsomstandigheden.

 

Bron: Scholing en Scholingsbehoefte in de dakbedekkingsbranche, rapportage door het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid-Amsterdam



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam