Roofs 2015-02-06 Energielabel: de consequenties voor het dak

Elke huiseigenaar ontvangt begin 2015 een voorlopig energielabel van zijn woning. Wat zegt dit label nu, wat is het effect in de praktijk, en wat zijn de consequenties voor het dak?
Benedikt van Roosmalen, Stybenex
De deskundigen zijn het er wel over eens dat de CO2 uitstoot (mede) veroorzaker is van de klimaatverandering. Grofweg 35% hiervan wordt veroorzaakt door de warmtevraag van de gebouwde omgeving. Daarom is op Europees niveau de EPBD-richtlijn ontwikkeld: Energy Performance Building Directive. Overheidsgebouwen moeten vanaf 2018 bijna energieneutraal zijn, overige nieuwbouw vanaf 2020 en de bestaande bouw in 2050.
Europees beleid inzake energiebesparing (EPBD) verplicht landen om voor gebouwen een zogenaamd Energieprestatielabel te hebben. Het label geeft de eigenaar / gebruiker inzicht in de energieprestatie van het gebouw en vanuit deze gedachte daarmee ook in de te nemen maatregelen om de energieprestatie van het gebouw te verbeteren. Het label moet dus “prikkelen” tot het nemen van maatregelen.
Het energielabel voor gebouwen lijkt op bijvoorbeeld het label voor de koelkast of de wasmachine en kent een indeling van A (zeer zuinig) tot G (zeer onzuinig). Per land worden deze labelklassen gekoppeld aan het eigen bestand, Daarbij wordt dus rekening gehouden met de plaatselijke klimatologische omstandigheden (de winters in Finland of Oost Europa vragen andere maatregelen dan in Nederland), de eisen die aan het binnenklimaat worden gesteld (opslag van materialen stelt andere eisen dan waar men continu aanwezig is) en de kosteneffectiviteit.
Het voorlopige energielabel is de inschatting van de energiezuinigheid van een woning. Mensen worden aangespoord de hiervoor ingerichte website te bezoeken en de reeds genomen maatregelen in te voeren, om de kwaliteit van het energielabel te verhogen. Bij verkoop of verhuur moet dan een ‘echt’ label worden opgesteld, waarbij een deskundige op afstand aan de hand van enige bewijsvoering van de uitgevoerde maatregelen het definitief label opstelt.

De bepaling van de kosteneffectiviteit verschilt per land. Niet alleen de prijzen voor producten, maar ook de energieprijzen en het beschikbare aantal maatregelen verschillen. De kosteneffectiviteit binnen Europa blijkt daarbij nogal ruim en vrijelijk te worden geïnterpreteerd. Bruto prijzen van bouwmaterialen, en alleen variabele prijzen van fossiele brandstoffen, geven in beide gevallen een heel ander beeld dan de werkelijke kosten. De regelgeving in Nederland op het gebied van energiebesparende maatregelen bevindt zich dan ook in de achterhoede van de Europese landen. 

Niet alleen het gebouwgebonden energieverbruik is van belang, ook het deel dat door het gebruik van het gebouw wordt veroorzaakt. De tijd dat men onder de douche staat is een voorbeeld van lastig te beïnvloeden bewonersgedrag, maar de gebouwgebonden energieconsumptie (de warmtevraag) is door technische maatregelen enorm te beïnvloeden.  Neemt men de goede maatregelen, dan is het raadzaam in volgorde van de Trias Energetica te handelen:
1. Voorkom/beperk energie vraag;
2. Maak maximaal gebruik van energie uit duurzame bronnen;
3. Maak zo efficiënt mogelijk gebruik van fossiele brandstoffen om in de resterende    energiebehoefte te voorzien.

Energielabel

De labelindeling voor woningen is bepaald door de bestaande woningvoorraad van een aantal jaren geleden in te delen in de labels A t/m G. Dit in tegenstelling tot het buitenland, dat veelal een energieneutrale woning het A label heeft gegeven en de bestaande voorraad nadien heeft ingedeeld tot de gangbare ‘G’.  Door de keuze van destijds is er in Nederland een voorstel geweest het woninglabel uit te breiden met A+, A++ en A+++ (dit voorstel is geëffectueerd voor utiliteitsbouw maar heeft het voor de woningbouw niet gehaald). Een energieneutrale woning in Nederland heeft dus een label A, evenals een woning met een EPC van 0,4. Daarom is een Nederlands A label niet vergelijkbaar met een A label uit onze buurlanden.

Zoals gezegd is het voorlopige energielabel van een woning om te zetten in een definitief energielabel door aanvullende informatie te laten controleren door een deskundige. Deze zal op afstand met de door de woningeigenaar aangereikte aanvullende 10 kenmerken (zonnepanelen aanwezig? ander glas? HR-ketel? aanvullende isolatie? etc.), digitaal aan te leveren met een foto, of kopie van aankoop factuur e.d. een definitief label opstellen. Of iets goed functioneert (PV cellen met een onjuiste hoek op het westen renderen immers minder dan op het zuiden georiënteerd) of de isolatie wel goed is aangebracht (isolatie die nat is, of slecht aansluitende isolatie functioneert nauwelijks) wordt niet naar gekeken. Ofwel: de echte deskundigen hebben hun twijfels of het energielabel het beoogde doel zal bereiken. Of het meer is dan alleen een politieke oplossing om een boete uit Brussel te voorkomen, daar kunnen we alleen naar gissen.   

EPC als ontwerptool

De energieprestatie van gebouwen wordt berekend volgens de Energie Prestatie Gebouwen (EPG NEN 7120) met als getalsuitkomst de EPC-waarde. Volgens enkele ingewijden stond de EPC in het Engels voor ‘Energy Performance Certificate’ en is dit in het Nederlands vertaald als Energie Prestatie Coëfficiënt, en is het verworden tot een ontwerptool in plaats van een certificaat. Vanaf 2015 moet een gebouw met een woonfunctie een EPC van 0,4 (of lager) hebben. Zoals in de vorige uitgave van Roofs aangegeven, is de EPC-eis voor utiliteitsfuncties met 50% aangescherpt ten opzichte van de eisen van 2007. Daarnaast heeft Nederland bij invulling van de EPC berekeningen als ontwerptool veelal gekozen om maatregelen punten toe te kennen. Komt men net niet aan de EPC, dan sprokkelt men nog even de noodzakelijke punten met de eenvoudigst te realiseren en goedkoop aan te brengen mogelijkheden - en voilà, men voldoet. Maar is de gebruiker daar werkelijk mee geholpen? Gaat het niet om het werkelijke energiegebruik? De huidige rekenmethodiek kent veel forfaitaire waarden voor maatregelen, maar de meest effectieve maatregel, isolatie, geeft onvoldoende ‘EPC punten’. Hierdoor worden isolatiepakketten met een grotere Rc dan 5,0 m2 K/W feitelijk niet goed gewaardeerd, waardoor goed isoleren ogenschijnlijk niet effectief lijkt.

Voor betrokkenen is het niet verwonderlijk dat BENG (Bijna Energie Neutrale) woningen, nul-op-de-meter gebouwen of passief gebouwen veelal een hogere isolatiewaarde kennen. Maar voor niet betrokkenen is dat natuurlijk vreemd. Aangezien deze, veelal particuliere initiatieven (of de aannemer wil zich profileren) niet van de EPC uitgaan, maar van de bouwfysische werkelijkheid, blijkt een Rc van 6 tot 10 in Nederland zeer effectief.

Isoleren
  
De olieprijs is de afgelopen periode aanzienlijk gedaald. Dat haalt wind uit de zeilen voor energiebesparende maatregelen, maar op de langere termijn is de tendens van de energieprijzen altijd stijgend. Dus wanneer er een ‘natuurlijk’ moment is voor dakrenovatie, overlagen of anderszins, is extra isolatie aanbrengen zeker raadzaam. Immers: daken die toe zijn aan deze renovatie zijn veelal meer dan 15 jaar oud. Als men zich dan realiseert dat de Rc voor een dak per 1-1-2015 voor nieuwbouw 6,0 m2 K/W is, weet men gewoon dat men niet voldoet aan het nieuwe Bouwbesluit. En wie wil er nu te veel en onnodig stoken met een energetisch slecht dak? Met een beter label neemt de uitstraling en de verhuurbaarheid toe, een belangrijk argument dezer dagen.   

Daar komt bij dat energiebesparende maatregelen met een kortere terugverdientijd dan vijf jaar voor beursgenoteerde organisaties verplicht zijn. Kortom: extra isoleren, een korte terugverdientijd, een positieve bijdrage aan het milieu, verhoging van comfort en een lagere energierekening. Het is zaak om bij overlagen dit onder de aandacht te brengen bij de opdrachtgever. Isoleren met EPS is daarbij in de meeste gevallen effectief. EPS scoort in milieutechnisch opzicht zeer goed en niet in de laatste plaats omdat het materiaal goed is te recyclen. Het isolatiemateriaal EPS is voorzien van een groot aantal DUBO-keuren, wat het ook fiscaal aantrekkelijk maakt hiermee te werken. 

Utiliteitsbouw

Daarnaast moet het energielabel van woningen niet verward worden met het energielabel voor een utiliteitsgebouw. Deze laatste wordt vastgesteld door een Energielabel adviseur met een geldig NL-EPBD (Energy Performance Puilding Directive) procescertificaat wat door een Raad van Accreditatie-erkende organisatie kan worden uitgegeven.

NL EPBD logo, een collectief merk van Stichting Bouwkwaliteit

Nadere details zijn terug te vinden in de publicatie van de Staatscourant nr. 3661 van 12 februari 2014, waar het A label zelfs met viermaal een +, ofwel een A++++ is terug te vinden. In mijn ogen een bewijs dat de politiek creatief met de mogelijkheden omgaat.

Daarbij zijn een drietal punten geïntroduceerd:
- een EI, Energie Index bepalingsmethode volgens ISSO 75.1 voor bestaande gebouwen;
- een EPC  bepalingsmethode volgens NEN7120 voor nieuw opgeleverde en grondig gerenoveerde gebouwen;
- naast een oudere EPC bepalingsmethode voor opgeleverde (nieuwe) gebouwen met een bouwvergunning op basis van een oude EPC bepaling methode;  naast een reeks aan aanvullende zaken zoals bijvoorbeeld een verplichte keuring van aircosystemen en de in de pijplijn zittende vrijwillige keuring van ketelinstallaties (niet onlogisch gezien dodelijke incidenten door koolmonoxidevergiftiging van voorgaande jaar).

Snapt u het nog?

Oorsprong van alles is de reductie van CO2 uitstoot. De installatiesector ziet haar positie niet graag teruglopen, en stelt dus alles in het werk om aan te tonen dat installaties bitter noodzakelijk zijn. De isolatiesector heeft bewezen onderbouwd dat isolatie weliswaar gepaard moet gaan met uitgebalanceerde installaties maar dat een Rc van minimaal 6 tot 8 op het dak in Nederland rendabel is. Hierdoor vragen installaties nog maar beperkt energie, is er sprake van lage CO2 uitstoot, kleine installaties, een lage energierekening en lage installatieonderhoud en vervangingskosten.  Goede isolatie met bijvoorbeeld EPS is passief, vraagt geen onderhoud, veroudert niet, is vochtongevoelig, is ronduit een kosteneffectieve maatregel zeker bij de huidige rentestanden.


Bron: McKinsey (isolatie verbeteringen het meest effectief)

Wilt u deze tekst in opgemaakte vorm lezen met foto's, klik dan deze link aan, dan ontvangt u de tekst in een PDF bestand



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam