Roofs 2007-05-08 Een nest onder het dak voor een vogel die altijd vliegt

Bij renovatie en nieuwbouw worden kieren en openingen in daken en gevels uit isolatie-overwegingen vaak afgedicht. Dit is nadelig voor de gierzwaluw, een beschermde en bedreigde vogelsoort. Die bouwt zelf geen nest, maar is afhankelijk van geschikte nestelmogelijkheden in gebouwen. Roofs interviewde Marleen Andriessen, secretaris van Gierzwaluw Bescherming Nederland (GBN) over dit bijzondere vogeltje en vroeg haar waar daken­branche en gebouweigenaren op kunnen letten om de gierzwaluw een handje te helpen.

“Sneldekpannen zijn mooi voor de dakdekker maar een ramp voor gierzwaluwen,” verzucht Marleen Andriessen wanneer het onderwerp ‘renovatie’ ter sprake komt: “De pannen sluiten zo strak aaneen. Op oude daken zijn er altijd wel een paar pannen die wat verzakt zijn. En de gierzwaluw heeft maar een hele kleine opening nodig om onder het dak te kunnen komen.” Gierzwaluwen keren altijd terug naar het nest waar ze vorig jaar hebben gebroed. Wanneer bij terugkeer het nest door bijvoorbeeld een renovatie niet meer aanwezig blijkt te zijn, dan heeft hij veel moeite om een nieuwe nestplaats te vinden. Hier kunnen zelfs enkele jaren overheen gaan, gedurende welke periode hij niet broedt.

De gierzwaluw
Gierzwaluwen zijn alleen in mei, juni en juli in Nederland om hier te broeden. Ze komen dan terug van hun winterverblijf in Afrika, ten zuiden van de evenaar en hebben een tocht van 7000 kilometer afgelegd. De gierzwaluw brengt vrijwel zijn hele leven – met uitzondering van de broedtijd – in de lucht door. Zijn pootjes zijn daarom klein en krom en nauwelijks geschikt om te staan. Wel kan hij zich met zijn kleine scherpe nageltjes vastgrijpen aan muren of dakranden. De jongen zijn na zes weken volgroeid en vliegen dan uit (dit gebeurt tussen half juli en half augustus). Ze moeten direct kunnen vliegen en zetten meteen koers naar Afrika, hun overwinteringsgebied. Ook slapen doet de gierzwaluw al vliegende: tegen de avond verzamelen ze zich in groepen en stijgen op tot een hoogte van drie tot vijf kilometer. Daarna laten ze zich in een soort halfslaap meevoeren in de lucht, en dalen ze zachtjes op de thermiek.

De gierzwaluw moet niet verward worden met de ook in ons land voorkomende huis- en boerenzwaluw. Die zijn wat kleiner van bouw en behoren tot een andere ‘familie’. De boeren- en huiszwaluw kunnen wel op hun poten staan, en bouwen hun eigen nest (de bekende komvormige nestjes). Omdat de gierzwaluw dit niet doet, is hij afhankelijk van menselijke bouwsels voor zijn nestgelegenheid. Het verdwijnen van nestgelegenheid door slopen en renoveren van oude gebouwen en stadswijken, is daarom de grootste bedreiging voor het voortbestaan van deze beestjes. Naar schatting is in de afgelopen 25 jaar bijvoorbeeld de Amersfoortse gierzwaluwpopulatie met 70% afgenomen. Zie voor meer informatie www.gierzwaluw.com.

Andriessen: “De gierzwaluw is voor veel aannemers een onbekend beestje. Daarom zet Gierzwaluw Bescherming Nederland zich in voor informatievoorziening op dit gebied, om zo de nestgelegenheid te behouden en/of te vergroten. Wij overleggen met gemeentes, architecten en aannemers, delen kennis en ervaringen en adviseren over nestelmogelijkheden.” Er zijn diverse mogelijkheden om het dak zo in te richten dat gierzwaluwen er kunnen nestelen. Denk hierbij aan gierzwaluwpannen, maar ook aan aanpassingen in gootbekistingen en boeidelen of speciale gevelstenen die (bij nieuwbouw) in de gevel gemetseld kunnen worden. Hieronder volgt een overzicht van mogelijke maatregelen en aandachtspunten.

 

Gierzwaluwpannen
Van elk dakpantype is er tegenwoordig een gierzwaluwvariant. Deze pannen zijn voorzien van een invliegopening (neus of huifje), waardoor de vogels onder de pannen kunnen komen.
De invliegopening is zo geconstrueerd dat er geen gevaar is voor inregenen of insneeuwen. Andriessen: “Bij het plaatsen van de pannen zijn er wel een aantal belangrijke randvoorwaarden:
Plaats de gierzwaluwpan bij renovatie exact op de plek waar in de oude situatie de opening van het gierzwaluwnest (bijv. de verzakte pan) zat. Andriessen: “Dit vereist een goede voorbereiding, door bijvoorbeeld op een zomeravond het dak een uur te observeren en op een kaart aan te tekenen op welke plekken de vogels invliegen.”
Het nest van de gierzwaluw bevindt zich op enige afstand van de invliegopening en wordt gebouwd op de panlatten. Wanneer de gebouweigenaar niet wenst dat de vogel zich vrijelijk onder het dak kan bewegen, is het mogelijk om een afgesloten nestkastje ter grootte van twee dakpannen onder de gierzwaluwpan te bevestigen op het dakbeschot.
Breng nestgelegenheid aan op de (koele) oost- of noordzijde van gebouwen. Onder een zonnig dak (op zuiden/westen) kan de temperatuur in de zomer oplopen tot meer dan 50 graden Celsius. Dit overleven de jonge beestjes niet.
Hoe steiler een dak, hoe beter. Daken met een hellingshoek minder dan 45° zijn minder geschikt. Er moet voldoende vrije valruimte onder de nestingang aanwezig zijn. Gierzwaluwen kunnen zich namelijk niet afzetten. Ze laten zich gewoon uit de opening vallen en slaan dan hun vleugels uit. Daarom moet onder de uitvliegopening voldoende vrije ruimte aanwezig zijn. De pan mag dus bijvoorbeeld niet boven een dakkapel worden geplaatst.
Gierzwaluwen broeden in kolonies, dus de gierzwaluwpannen kunnen het beste in groepen halverwege het dak worden gelegd.
Wanneer gierzwaluwpannen niet voorradig zijn, is het ook mogelijk om een bestaande pan te bewerken. Bijvoorbeeld door uit een ventilatiepan het roostertje te verwijderen met een ijzervijl of -zaag. Het is ook mogelijk om van een bestaande dakpan een gierzwaluwdakpan te maken, door er een opening in te zagen, waarop een kunststof huifje wordt gelijmd. Het huifje beschermt tegen inregenen of insneeuwen.”

De aanwezigheid van zwaluwen levert de gebouweigenaar geen overlast op. Pannen en panlatten worden niet of nauwelijks aangetast door de aanwezigheid van een nest. Andriessen: “Het nest van de gierzwaluw is klein en bestaat uit licht materiaal; een samenraapsel van wat haren, sprietjes, zaadpluis en veertjes die de zwaluw al vliegend heeft verzameld. De ouders houden bovendien het nest schoon door de uitwerpselen van de jongen mee naar buiten te nemen of op te eten. In Amstelveen zijn in 1983 56 neststenen in acht muren gemetseld, maar er is nog steeds geen enkele vervuiling op de muur te zien.”

Wet- en regelgeving
De Flora- en Faunawet verbiedt het beschadigen of verstoren van nesten, holen e.d. van beschermde inheemse dieren tijdens het broedseizoen (half april t/m half augustus). Er is geen regelgeving specifiek voor gierzwaluwen. Dat zou wel raadzaam zijn, vindt Andriessen: “De meeste vogelsoorten bouwen zelf hun nest en bouwen elk jaar een nieuw nest. Omdat de gierzwaluw dit niet doet, is ook verstoring van de nestplaats buiten het broedseizoen zeer schadelijk.” Diverse Nederlandse gemeentes hebben op basis van contacten met Gierzwaluw Bescherming Nederland (GBN) voorzieningen getroffen ter bescherming van de gierzwaluw. Andriessen: “Momenteel zijn we bezig een website op te zetten speciaal voor architecten, om hen te wijzen op de creatieve mogelijkheden om bijvoorbeeld neststenen en gierzwaluwpannen in het ontwerp in te zetten.”

 

Andere oplossingen

  • Gootbekisting: men kan sleuven aanbrengen in de gootbekisting. Zo’n sleuf meet 3x7 cm en moet dicht bij de gevel aangebracht worden. Dit soort openingen zijn erg in trek bij zowel gierzwaluwen als vleermuizen.
  • Boeidelen: Als de ruimte tussen het boeideel en de dakpannen afgedicht is met een loodslabbe kan op enkele plekken toegang gecreëerd worden door de slabbe enigszins op te lichten.
  • Kantdakpannen: een kantdakpan kan bijv. met een blokje hout zo’n drie cm opgelicht worden. Netter is het om een driehoekje uit de zijkant van de pan te slijpen. Hierdoor krijgt de gierzwaluw toegang tot het dakbeschot.
  • Gevelstenen: Bij nieuwbouw bestaat de mogelijkheid om speciale neststenen in de gevel te metselen. Deze worden vrijwel geheel in de muur/spouw ingebouwd. Alleen de invliegopening is van buiten zichtbaar.
  • Het is ook mogelijk om (zelfgebouwde) nestkasten aan te brengen aan gevels of onder goten (op minimaal 3 meter van de grond). Werktekeningen en informatie zijn beschikbaar via de website van GBN.

De plaatsing van gierzwaluwpannen of –kasten is uiteraard nog geen garantie dat er ook zich een paartje in zal nestelen. Andriessen: “Dat kan soms nog jaren duren. Wel is het mogelijk om de natuur een handje te helpen door een bandje met gierzwaluwgeluiden af te spelen, waardoor de zwaluw de weg wordt gewezen naar het nieuwe nest.”

Wilt u deze tekst in opgemaakte vorm lezen met foto's, klik dan deze link aan, dan ontvangt u de tekst in een PDF bestand



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam